Synoniemen: plafonddoos, centrale lasdoos
In de Nederlandse woningbouw is het centraaldoossysteem de meest toegepaste methode voor het aanleggen van een lichtinstallatie. De afmetingen en eigenschappen van de doos zijn zo ontworpen dat er voldoende ruimte is voor de benodigde verbindingen (lassen) en dat er een lichtarmatuur op gemonteerd kan worden. De installatie ervan valt onder de voorschriften van de NEN 1010 norm.
1. **Nuldraad (blauw)**: De nuldraad van de voeding wordt rechtstreeks doorverbonden met de nuldraad van het aan te sluiten lichtpunt. 2. **Fasedraad (bruin)**: De fasedraad van de voeding wordt via een las verbonden met de draad die naar de schakelaar loopt. Dit is ook een bruine draad. 3. **Schakeldraad (zwart)**: Vanuit de schakelaar komt een zwarte schakeldraad terug naar de centraaldoos. Deze draad wordt verbonden met de fasedraad van het lichtpunt. Wanneer de schakelaar wordt omgezet, maakt deze contact tussen de bruine en de zwarte draad, waardoor het lichtpunt spanning krijgt en gaat branden. 4. **Aardedraad (geel/groen)**: Indien het lichtarmatuur van metaal is, wordt de aardedraad van de voeding verbonden met de aardedraad van het armatuur voor de veiligheid.
Alle verbindingen worden gemaakt met lasdoppen of WAGO-klemmen. De doos zelf biedt een fysieke en brandveilige behuizing voor deze verbindingen.
In de doos verbindt hij de blauwe nuldraad van de voeding met de blauwe draad van de lampfitting. De bruine fasedraad wordt verbonden met de bruine draad die naar de eerste wisselschakelaar gaat. De twee zwarte schakeldraden die tussen de schakelaars lopen en de zwarte draad die van de tweede schakelaar terugkomt, worden volgens het schema van de wisselschakeling aangesloten. De laatste zwarte draad wordt verbonden met de lampfitting. Na het afmonteren van het deksel kan de hanglamp veilig worden opgehangen.
* **Nieuwe installaties**: Bij nieuwbouw of een grondige verbouwing moet de installatie voldoen aan de NEN 1010. Een elektricien garandeert een correcte en veilige aanleg. * **Aanpassingen**: Het toevoegen van een schakelaar, een lichtpunt of het wijzigen van een schakeling (bijvoorbeeld van enkelpolig naar een wisselschakeling) vereist kennis van schakelschema's. * **Storingen**: Als een lamp niet meer werkt en de lamp zelf niet kapot is, kan de storing in de centraaldoos zitten. Een losse verbinding kan storingen en zelfs brandgevaar veroorzaken. Een elektricien kan de oorzaak veilig diagnosticeren en verhelpen. * **Inspectie**: Bij twijfel over de veiligheid van oude bedrading kan een elektricien de verbindingen in de centraaldoos controleren.
* **Verkeerd kleurgebruik**: De functie van draden is direct gekoppeld aan de kleur. Het gebruiken van bijvoorbeeld een bruine draad als schakeldraad is gevaarlijk en verwarrend. * **Slechte lassen**: Verbindingen die niet goed vastzitten, kunnen een hoge overgangsweerstand veroorzaken. Dit leidt tot warmteontwikkeling en brandgevaar. * **Te volle doos**: Een centraaldoos heeft een maximale vullingsgraad. Te veel draden en lassen in één doos proppen kan de isolatie beschadigen en oververhitting veroorzaken. * **Aarde vergeten**: Het niet aansluiten van de aardedraad op metalen armaturen is een ernstig veiligheidsrisico. * **Onjuist schema toepassen**: Het verkeerd aansluiten van de draden voor een wissel- of kruisschakeling, waardoor de verlichting niet of incorrect functioneert.